Lexicon
Op deze website treft u een aantal afkortingen en begrippen aan die uit het Engelstalige vakjargon komen. Wij kunnen ons voorstellen dat dit soms vragen oproept. Wellicht dat een korte uitleg dit goed kan maken:
· Analoog: een vorm van informatieoverdracht waarbij gewerkt wordt met een op- of aflopend signaal. Een voorbeeld van een analoog signaal is het meten van de tankinhoud. Naast helemaal leeg of vol kan het niveau er ook ergens tussenin zitten (zie ook digitaal).
· A.I.S.: Automatic Identification System (afgekort AIS) is een systeem gebaseerd op transponder-technologie waarmee de veiligheid van scheepvaart op zeeën en grote rivieren verhoogd wordt. Ieder schip dat met een AIS-transponder is uitgerust, zendt periodiek zijn eigen specifieke gegevens uit. Deze gegevens kunnen worden opgevangen door een andere AIS-transponder, AIS-ontvanger of AIS-ontvangststation (base station), en per computer verder worden verwerkt.
· ALS-2000: Alpha Live System 2000 (afgekort ALS-2000). Met het ALS-2000I wordt met behulp van een wireless acces point een UMTS / HSDPA Internetverbinding beschikbaar gemaakt aan boord van binnenvaartschepen. Het signaal wordt door middel van routers doorgezet waardoor meerdere personen aan boord van passagiers-, container-, vracht- en tankschepen tegelijkertijd over een draadloze of bekabelde Internetverbinding kunnen beschikken zonder dat er sprake is van extra kosten voor de afzonderlijke aansluitingen.
· Ankerwacht: (Zie ook geofance) Het betreft hier een vorm van gebiedsbewaking waarmee een gebruiker kan zien of het anker van een (plezier)vaartuig gaat krabben. Met behulp van de ankerwachtfunctie wordt een denkbeeldig hek geplaatst om het gebied waar een vaartuig voor anker ligt. De grenzen van dit gebied worden vastgelegd in de vorm van coördinaten. Door de huidige positie van het object regelmatig te vergelijken met de coördinaten van het ankerwachtgebied kan worden bepaald of het vaartuig zich nog steeds binnen het ingestelde gebied bevindt. Wanneer wordt geconstateerd dat het vaartuig het ankerwachtgebied verlaten heeft zal een alarmbericht verstuurd worden.
· Bootloaden: begrip uit het Engels dat staat voor het (opnieuw) laden van de interne programmering (software) van de communicatie unit. Door nieuwe software te laden kunnen nieuwe functionaliteiten achteraf worden toegevoegd. Een communicatie unit die geschikt is voor bootloaden kan op deze manier eenvoudig en goedkoop up-to-date gehouden worden, waardoor de kans op veroudering minimaal is.
· Backoffice: programma dat draait op de centrale server (zie ook server) en bedoeld is ter ondersteuning van de bedrijfsvoering van een bedrijf(sonderdeel); het gaat hierbij om afdelingen die niet direct met de klant in aanraking komen, maar de gegevens in deze applicatie bewerken en analyseren.
· CANbus: afkorting uit het Engels voor Controller Area Network. In moderne machines komen ook steeds vaker digitale signalen voor in plaats van "gewone" analoge signalen. Bij analoge signalen is er voor elk signaal een aparte draad nodig. Bij een digitaal netwerk (CANbus) kunnen diverse signalen in de vorm van codes over dezelfde draad lopen. Veel machines zijn tegenwoordig voorzien van een CANbus, maar meestal is er nog wel een analoog signaal voorhanden. Binnen de CANbus-standaard is een grote hoeveelheid communicatieprotocollen ontwikkeld: dit is (helaas) niet gestandaardiseerd waardoor gegevensuitwisseling in de praktijk lastig kan zijn.
· Client / workstation / desktop: personal computer aan de gebruikerskant van het netwerk, waarmee men gebruik kan maken van toepassingen op de centrale server.
· Communicatieprotocol: dit is een communicatiemethode die wordt gebruikt bij het programmeren van electronica zoals bijvoorbeeld communicatie-units. De meeste fabrikanten gebruiken hun eigen protocollen, te vergelijken met dialecten van een bepaalde programmeertaal. Hierdoor kunnen apparaten van verschillende fabrikanten normaalgesproken niet zondermeer met elkaar communiceren.
· Communicatieserver: centrale computer in een netwerk. Vanaf deze computer zijn de toepassingen voor de gebruikers beschikbaar.
Digitaal: een vorm van informatieoverdracht waarbij gewerkt wordt met éénen en nullen. Een tuimelschakelaar voor het bedienen van een lamp is een voorbeeld van een apparaat dat een digitaal signaal afgeeft. De lamp is òf aan òf uit (zie ook analoog). Andere toepassingen van digitale signalengevers zijn deursensoren en bedieningsschakelaars.
· FMS-standard: De FMS-standard betreft één gemeenschappelijk protocol voor de CANbus ten behoeve van het dataverkeer tussen de boordcomputer van de vrachtauto en het Fleet Management Systeem van de thuisbasis. De gemaakte afspraken gelden voor alle onderdelen zoals de gegevens over remmen, de voertuigsnelheid, het gebruik van zaken als cruise control, versnelling, PTO, gaspedaal, brandstofverbruik, toerental, koeling, asdruk, positie van de assen en de werktijd en temperatuur van de motor. Maar ook de tacho-infomatie, informatie over afgelegde afstanden per periode, onderhoud en identificatie van het voertuig en identificatie van de software. Kortom, alles wat in een compleet Fleet Management System thuishoort.
· GEO-fancing: term uit het Engels die gebruikt wordt om een vorm van gebiedsbewaking mee aan te geven. Letterlijk betekent het "geografische hekwerk". Er wordt een denkbeeldig hek om het te bewaken object geplaatst. De vorm van dit bewakingsgebied is meestal een cirkel met een zelf te bepalen straal, maar de 'geofence' kan ook een andere vorm hebben. De grenzen van dit gebied worden vastgelegd in de vorm van coördinaten. Door de huidige positie van het object regelmatig te vergelijken met de coördinaten van het bewakingsgebied kan worden bepaald of het object nog steeds binnen het denkbeeldige hek staat. Wanneer wordt geconstateerd dat het object het bewakingsgebied verlaten heeft zal een alarmbericht verstuurd worden.
· GPRS: afkorting van het Engelse begrip General Packet Radio Service. Dit is een relatief nieuwe communicatietechniek gebaseerd op het GSM-netwerk. Met deze techniek is het mogelijk meer en sneller informatie te verzenden en ontvangen dan tot nu toe mogelijk was met GSM. Bij GPRS wordt de informatie in kleine pakketjes verdeeld en vervolgens verstuurd. Voordeel t.o.v. GSM is dat de snelheid ca. vijf maal hoger is en dat betaald wordt voor de hoeveelheid gegevens die verstuurd is. Voor toepassingen waarbij regelmatig informatie verstuurd moet worden (tracking & tracing) is GPRS op dit moment de meest geschikte en voordeligste communicatie technologie.
· GPS: afkorting uit het Engels voor Global Positioning System. Dit van oorsprong Amerikaanse systeem wordt voor militaire en civiele positiebepaling gebruikt. Hierbij draaien 24 satellieten in een vaste baan om de aarde en sturen constant een signaal uit, dat gratis ontvangen kan worden met een GPS ontvanger. Door de signalen van minimaal vier satellieten op te vangen kan de actuele positie van een object worden bepaald.
· GSM: afkorting uit het Engels van Global Standard for Mobile Communication. Deze communicatietechniek wordt veel gebruikt voor spraakverbindingen (voice). Voor de komst van GPRS werd GSM ook gebruikt voor het versturen van gegevens (DATA). Omdat bij GSM betaald wordt per tijdseenheid en de communicatiesnelheid relatief laag is, is dit voor data-toepassingen zoals tracking & tracing een dure en trage oplossing.
· Ingang: hierop kan het signaal van een sensor aangesloten worden dat gemeten moet worden door de communicatie unit. Afhankelijk van de gemeten analoge- of digitale-waarde en de programmering van de unit, wordt een bepaald proces in gang gezet. Een ingang kan geschikt zijn voor uitsluitend digitale- of analoge-waarden of voor beide soorten.
· Internet: een wereldwijd netwerk van computers ook wel World Wide Web (www) genoemd. Wanneer een programma geschikt is gemaakt om via het internet gebruikt te worden, kan op elke willekeurige computer met internetaansluiting dit programma gebruikt worden. Deze zogenoemde internetapplicatie heeft als bijkomend voordeel dat er geen software op de eigen PC geïnstalleerd hoeft te worden. De internetapplicatie wordt centraal up-to-date gehouden in een beveiligde omgeving.
· Internetapplicatie: zie internet.
· Middleware: softwarematige toepassing die de datacommunicatie tussen het voertuig (frontoffice) en de backoffice verzorgt (zie ook backoffice). Middleware ondersteunt hierbij standaard programma's en zorgt voor een beter verloop van gedistribueerde computeractiviteiten.
· Mobiele Data Terminal: een door de chauffeur van het voertuig te bedienen scherm en/of toetsenbord met intelligentie (computer) t.b.v. interactieve uitwisseling van gegevens / informatie met de backoffice (omschrijving zie backoffice).
· Parkeeralarm: met deze functie kan per dag of per periode een alarm worden ingesteld. Indien de GPS-coördinaten tijdens de ingestelde uren of periode wijzigen, wordt er een SMS-alarmbericht verstuurd.
· Password-protected: Engelse benaming voor afscherming door middel van wachtwoorden. Deze vorm van beveiliging wordt o.a. toegepast om via internet uitsluitend gegevens te verstrekken aan geautoriseerde gebruikers. Door het intoetsen van een unieke gebruikersnaam en een uniek wachtwoord worden gegevens vrijgegeven die alleen voor die geautoriseerde gebruiker(s) bedoeld zijn.
· Provider: Engels woord voor leverancier van een product of een dienst. Voorbeelden van providers zijn de leveranciers van telecommunicatie (bijvoorbeeld KPN, T-Mobile en Vodafone) of internet (bijvoorbeeld Wanadoo, XS4all, Planet en AOL).
· Remote bootloaden: begrip uit het Engels dat staat voor het op afstand aanpassen van de programmering van de communicatie unit. Hierbij wordt op afstand via een telecommunicatieverbinding nieuwe software verstuurd naar de communicatie unit. Voordeel van remote bootload is dat de machine hiervoor niet stilgezet hoeft te worden; de leverancier kan vanaf zijn eigen locatie de nieuwe software laden, terwijl de machine gewoon in bedrijf is.
· RFID: afkorting uit het Engels; staat voor Radio Frequency IDentification. Het is een techniek waarbij de identificatie met behulp van een kleine zender/ontvanger plaatsvindt. De zender stuurt hierbij een signaal uit waarin een unieke identificatiecode zit. Soms kan nog wat extra informatie toegevoegd worden. De ontvanger ontvangt dit bericht en "weet" wie de zender is. De afstand tussen zender en ontvanger is echter zeer beperkt: van enkele centimeters tot maximaal enkele meters afhankelijk van het ontwerp. RFID wordt veel toegepast in persoongebonden toegangspassen voor gebouwen en terreinen. RFID is ook zeer geschikt voor bestuurdersautorisatie op bepaalde machines. Zonder de juiste ID kan de machine niet gestart worden. Beschikt de bestuurder over de juiste ID dan wordt de startblokkering opgeheven en is bekend wie de machine bestuurt. Dit laatste kan handig zijn bij bijvoorbeeld het vaststellen van schade aan de machine.
· Rittenadministratie: electronische registratie van (bron)gegevens (bijvoorbeeld plaats- en tijdsaanduidingen), zodanig dat hieruit is af te leiden welke routes (met afstanden) gereden zijn.
· Roamingkosten: Dit zijn de kosten die de bedrijven elkaar in rekening brengen voor het gebruik van elkaars mobiele netwerken. Wie met zijn mobiele telefoon in het buitenland belt, moet doorgaans gebruik maken van het netwerk van een andere provider. Door de hoge tarieven die hiervoor gevraagd worden, is mobiel bellen in het buitenland nogal duur.
· RS232: dit is de afkorting van een communicatiemethode die door veel fabrikanten wordt toegepast wanneer gegevens uitgewisseld moet worden met andere apparaten. Deze aansluiting wordt ook wel een seriële aansluiting genoemd. RS staat voor Recommended Standard.
· Server: de Engelse benaming voor een centrale computer die in een netwerk staat en waarvan anderen gebruik kunnen maken. Een voorbeeld van een server is een gegevensbank (data base) die centraal beheerd wordt en die via internet de gegevens beschikbaar stelt aan geautoriseerde gebruikers.
· Serverapplicatie: gebruikerstoepassing en / of database die draait op een centrale computer (server) met daaraan gekoppelde 'clients' (zie ook client/workstation/desktop).
· SMS: Afkorting van de Engelse term voor tekstbericht: Short Message Service. Met een SMS bericht kan een tekst van maximaal 160 tekens verstuurd worden via het GSM netwerk. Een SMS bericht heeft altijd een vaste grootte onafhankelijk van de hoeveelheid tekens die verstuurd wordt. SMS werd in de beginperiode van telemetrie vaak gebruikt als communicatietechniek in voertuigvolgsystemen. Tegenwoordig wordt vaak gebruik gemaakt van GPRS, omdat hiermee de informatie sneller, goedkoper en betrouwbaarder verstuurd kan worden. Alarmberichten die rechtstreeks vanuit de communicatie-unit naar de gebruiker worden verstuurd hebben nog wel de vorm van SMS-berichten, omdat die met elke mobiele telefoon te ontvangen moeten zijn.
· Telematics/ telemetrie: dit is de Engelse benaming voor telematica/telemetrie en is een combinatie van telecommunicatie en computertechnologie. Door deze technieken te combineren is het mogelijk gegevens te verzamelen, op te slaan, te verwerken, door te sturen en instellingen te wijzigen. Hierbij zijn behalve een microprocessor ook geheugenruimte nodig (voor gegevensopslag) en een communicatietechniek. Vaak is dit een GSM/GPRS modem, maar het kan ook een satellietmodem zijn. Daarnaast kunnen telematicasystemen voorzien zijn van een GPS-ontvanger.
· Uitgang: hierop worden apparaten aangesloten die moeten worden aangestuurd door de communicatie-unit. Afhankelijk van de opbouw van de communicatie-unit kan een analoog en/of digitaal uitgangssignaal worden uitgestuurd.
· Webapplicatie: zie internet.
Advanced Track & Trace Rembrandtlaan 37 3117 VC Schiedam 010-2733788 sales@atnt.nl